In het door de Pruisen bezette Keulen trok in 1823 een ‘Maskenzug’, een optocht, die moest herinneren aan de glorieuze intocht van van de Habsburgse keizer in de vrije Rijksstad. ‘Held Karneval’ werd spoedig vervangen door de ‘Prinz’ en de carnavalsstoet kreeg al snel de naam van ‘Rosenmontagzug’. Een aantal steden in het Rijnland namen het voorbeeld van Kölle over en daarna volgde het aangrenzende Limburg. Sittard bleef niet achter. We maakten voor het eerste gedeelte van dit historische overzicht dankbaar vooral gebruik van kronieken, boeken, kranten en foto’s uit het Archief van de Gemeente Sittard.

1882:

De eerste carnavalsoptocht wordt georganiseerd door de enkele maanden eerder opgerichte ‘ Carnavals-Sociëteit de Marotte te Sittard’. Deze ‘grooten humoristischen’ optocht op carnavalsmaandag was thematisch van opzet met de ‘afdeelingen’ landbouw, land-en volkenkunde, handel en nijverheid. De collecte bracht ƒ 101,87½ op.

1890:

Met uitzondering van 1884 en 1886 bleef Sittard jarenlang verstoken van een carnavalsoptocht (geen belangstelling en geen geld). Sittard kreeg met Sjang Arnoldts zijn eerste Prins en die besloot in zijn triomfwagen de optocht. Opstelling en ontbinding was op het Stationsplein. Er was zelfs een ‘reclame-wagen’: Driessens Cacao.

1893:

Vanwege intererne problemen bij de ‘ Marotte-Club’ organiseert de ‘Steiwiger Klompeclub’ de carnavalsoptocht, bijgestaan door de steeds activieve ‘Koutebouts-Club Swentibold. Het was een ‘aardigen optocht met schoone costuumes’

1901:

De Marotte-Club was blijkbaar ingeslapen en de optocht werd georganiseerd door Carnavals-Sociëteit van Broeksittard met als thema ‘ Opening van de tramlijn Broeksittard-Sittard. De bonte tram had als haltes Station Gramser, Putpoort, Markt en via de Paardenstraat weer terug naar het ‘Haaneriek’.

1902:

De Marotte waren ontwaakt en dankzij de financiële steun van de middenstanders maar vooral van herbergiers en bierbrouwers kwam er weer een ‘Sittardse’ carnavalsoptocht. Zodoende was er ook weer een Marotte-heerser op de prinsenwagen. De eerste prijs werd gewonnen door de ‘Sjtam’ met de praalwagen ‘De Gelderlander’, het oorlogsschip van leider Paul Krüger tijdens de Boerenopstand in Zuid-Afrika .

1911:

Eindelijk was er weer animo voor een optocht. Nu riepen de Marotte de hulp in van de buurten en wijken. Deze eisten, dat de optocht ook door hun straten moest trekken. Dit lukte vrijwel, maar de stoet trok dan ook op carnavalsmaandag en dinsdag . Er waren 20.000 toeschouwers waaronder zo’n 6000 treinreizigers. Zij keken naar 25 wagens en 25 groepen. De prinsenwagen werd getrokken door zes paarden en Marotte-prins Nikkela I (Beckers) gooide boeketjes bloemen uit.

1922:

De economische toestand was bedroevend en de optocht diende ook vanwege de vele bezoekers voor een economische impuls voor het zakenleven. Volgens de krant zorgde de drie uur durende stoet voor ‘één groote menschenzee’. Opvallend was dat de meeste van de 28 wagens en 30 groepen een humoristische kritiek hadden op actuele gebeurtenissen.

1923:

De Sittardse carnavalsoptocht groeide uit tot een jaarlijks evenement. De Marotte kregen hierbij steun van een Centraal Comité waarin vertegenwoordigers waren opgenomen van Sittardse verenigingen. Zaterdag vóór carnaval trok er nog een stoet: de fakkeloptocht ter ere van de Marotte-prins.

1925:

De Sittardse carnavalsoptocht had reeds zo’n landelijke bekendheid, dat Polygoon filmopnames kwam maken. Voor het eerst werd de Marotte-prins na de optocht door de burgemeester (Gijzels) op het stadhuis ontvangen. Deze burgervader had wel kritiek op bepaalde uitspattingen tijdens carnaval.

1926:

Het provinciaal bestuur verzocht de Limburgse gemeenten vanwege de ernstige overstroming van de Maas geen toestemming te geven voor een optocht.
De Marotte en de Sittardse zakenlieden protesteerden heftig en B&W gaf uiteindelijk toestemming voor de 4×11-jubileum-optocht, maar verbood met carnaval vanaf 19.00 uur ‘ ei maske, mòmmegezich of ei gerdinke veur ‘t gezich te höbbe’.

1928:

Door de grote werkloosheid en heersende armoede werd het verzet van de geestelijke en burgelijke overheid tegen het geldverkwistende en zedenloze carnaval steeds groter. De optocht bleef buiten schot, maar door geldgebrek ging deze-aanvankelijk niet door. Door een financièle steun van o.a. Vereeniging De Kolleberg (latere V.V.V.), grote bedrijven, plaatselijke café’s, firma’s in carnavalsartikelen, collectes en giften werd dit onheil toch nog afgewend. De mooiste praalwagen was van de vriendenclub Wo Van (De Teepop).

1929:

Vanwege de extreme kou ( -20 graden) werd de optocht van carnavalsmaandag uitgesteld tot dinsdags. De weerssituatie was niet verbeterd en de route was ingekort: van station naar de Markt. Er was vrijwel geen publiek op straat en prins Baer I (Cals) kon slechts enkele sinaasappels uitgooien.

1931:

“Het Sittardse carnaval en ook de optocht moeten worden afgeschaft”. Dat is de mening van ondermeer de ‘Nationale Christen Geheelonthouders Vereeniging, den Limburgschen Maraiabond en het Limburgsch Kruisverbond’. Zij protesteerden heftig en ook andere tegenstanders verspreidden anti-carnavalpamfletten. Ondanks deze weerstand trok de stoet en na de ontbinding vond er een vlaggenparade plaats.

1932:

De carnavalsstrijd bereikt zijn climax. De Sittardse geestelijkheid o.l.v. deken Rhoen verzocht de gemeenteraad de maskerade af te schaffen. Na heftige discussies werd het voorstel met 8 tegen 7 stemmen aangenomen. Gevolg: grote rellen, vuurwerkbommen, vernielingen bij de tegenstemmers, harde charges van de politie en een verbod tot samenscholing. De Marotte gelastte de optocht af. Een aantal Sittardenaren legden zich hier niet bij neer en vormden het ‘Optochcomité 1932’. Veel buurten en verenigingen waren in de stoet present. De ideeën en motto’s waren waren actueel: ‘de stouten worden gestraft’, ‘de gesneuvelde maskers’, ‘maskers op-maskers af’, ‘onkruid vergaat niet’ en ‘niet den moed verliezen’. Er was, uiteraard, geen prinsenwagen.

1934:

De Marotte hadden zich (te) passief opgesteld in de strijd tegen het maskeradeverbod. Een jaar eerder hadden ze de optocht nog wel georganiseerd, maar de sympathie was sterk gedaald. Een andere groep hadden zich juist fanatiek ingezet om oude carnavalstradities in stand te houden. Deze Sittardenaren richtten dan ook een nieuwe carnavalsvereniging op: de Aanhauwtesch. Onder hen o.a. Wil Heuts, Tinus Dols, Frans Tummers en later sloot Toon Hermans zich bij hen aan. Deze vriendengroep organiseerde ook de ‘ouwerwetschen mooien Vastenavond op-tocht’. Nieuw waren de reclame-wagens. Deze waren toegestaan mits ze carnavalistisch van opzet waren. Het maskerade-verbod was een jaar eerder al gedeeltelijk afgeschaft.

1937:

De Aanhauwtesch bleven de optocht organiseren, maar hadden hierdoor wel een aanzienlijke financiële schuld. Veel Sittardse winkeliers lieten de initiatiefnemers niet in de kou staan. Ze betaalden het bedrag van ƒ 1,50 en plaatsten het plakkaat “Veer sjteune de vastelaovend 1937 ” in hun winkel. Opmerkelijke beslissing: de optocht trok niet op carnavalsmaandag maar op zondag. De stoet opende voortaan met ‘de kènjer, die d’n optoch in de waeg loupe’

1938:

Door de carnavalistische ‘zondagsviering’ trok de Sittardse optocht nóg meer publiek. Door deze verplaatsing kreeg carnavalsmaandag een nieuwe invulling. De Sittardse jeugd ging reeds een jaar eerder spontaan hossend ‘met de meziek mee’ door de binnenstad en nu ging de kinderoptocht officieel van start. Start en eindpunt was de Markt.

1939:

Er was intussen weer een nieuwe carnavalsvereniging gesticht: De Mander. Dit jaar was hun ‘heerser’ prins Karel I (Hendriks) de optochtprins. Door de aanhoudende regen kon de stoet op zondag niet trekken en werd weer verplaatst naar maandag De kinderoptocht trok dus ook een dag later. De Duitse inval in Polen, de mobilisatie en vervolgens de vijandelijke bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog, maakte een openbare carnavalsviering onmogelijk. Het organiseren en deelnemen aan een carnavalsoptocht was niet meer aan de orde.